TROEP

Een stille winterochtend – zelfs in het Koffiehuis aan de Haarlemmerstraat. We lopen maar gauw achter veegploegleider Mourad aan, die een paar mannen met grijper en vuilniszak richting de Haarlemmer Houttuinen stuurt, en zelf met Tommie en Elmer de Haarlemmerdijk inslaat. ‘Soms zijn we met zes. Soms met zeven, acht, negen…’ Het deelnemersaantal van zijn ploeg schommelt met de dag tegenwoordig, zo legt hij ons uit, terwijl hij een prullenbakje, volgestouwd met stompjes sigaretten, mopperend omkeert. ‘Ja, dit hè? Ongelofelijk.’

‘Het liefst heb je gewoon een vaste groep. Mensen die op tijd komen, die je kunt vertrouwen. ‘Maar de laatste tijd, met ons café dicht…’ – ‘Is dat wel wat minder geworden,’ vul ik Mourad automatisch aan. ‘Ja. Normaal kwamen de mensen daar koffie drinken, en wachten tot ze aan de slag konden. Nu moet iedereen buiten wachten. De koffie moet buiten worden gedronken, de maaltijden moeten buiten worden gegeten, en ja… zoals laatst! Er was een nieuwe, Roemeense man, hij was zó blij. Hij deed het ook meteen goed, en ik dacht: mooi, die mannen hebben we nodig. En opeens, na twee dagen werken, was hij weer weg. Helemaal verdwenen!’

De Haarlemmerdijk wordt systematisch uitgekamd. Mourad op de ene stoep, Elmer op de weg en Tommie aan de andere kant, waar alle fietsen staan geparkeerd. Ineens zien wij ook overal rommel liggen: tegen de stoepranden, tussen de fietsenrekken en bloembakken in. Op het Haarlemmerplein liggen hele bergen op ons te wachten, onder de bankjes rond de bomen en op de autoweg richting de Haarlemmer Houttuinen – alsof iemand er zó zijn bestelwagentje heeft leeggekieperd. Uit verschillende hoeken komen mannen met volle vuilniszakken tevoorschijn.

Ook Tommie komt het plein op gelopen, tussen het laatste rijtje fietsen vandaan. ‘Doe je dit elke dag? En waar kom je vandaan?’ Ik wil meteen van alles weten en hij vertelt het me binnen een minuut. ‘Ik kom uit Hongarije. Boedapest. Ben hier nu 11, 12 jaar. Ik heb een vrouw, maar we zijn uit elkaar. Vijf maanden geleden. Maar het komt goed. Wacht, ik ga even hier…’ – Tommie vist nog even een flink stuk plastic tussen wat opgestapelde terrasstoelen vandaan en vertelt verder. ‘Ik was verhuizer, sloper, alles. Ik werkte in de haven bij IJmuiden. Toen kwam corona, en werd het moeilijk. Nu leef ik bij de opvang, aan de Transformatorweg. Daar kan ik elke nacht slapen, elke dag douchen. Ja, de Hollandse government is echt goed, hoor…’

We steken het plein over. Over de brug en de Nassaukade, de De Wittenstraat in. ‘Kijk, dit is nou precies waarom wij er zijn,’ vertelt Mourad en wijst naar wat rommel onder een auto, in het mandje van een fiets. ‘Hier komen we echt alleen met onze prikkers bij. Daarom zeg ik die jongens ook altijd: “Zoek niet naar de zichtbare, maar naar de onzichtbare dingen.” – ‘Mourad! Full!’ horen we Tommie alweer roepen. Er staat een container in de buurt en de zakken worden ververst. Elmer vist een aansteker uit een plantenbak en checkt even of-ie nog werkt.

Terug op de Nassaukade. De heg langs het fietspad, vol met lege frisdrankflesjes, mondkapjes… Een allegaartje rommel van fietsers en automobilisten voor het drukke kruispunt bij de brug. ‘Maar Kees! Weet je wat echt leuk is?’ begint Mourad te vertellen. ‘Vroeger, in Algerije. Ik, mijn broer, mijn zus. “Wat wil je later worden?” vroegen mensen ons. En natuurlijk… Mijn broer zei: “Piloot”. Mijn zus: “Dokter.” En weet je wat ik zei? “Vuilnisman”.’ Mourads lach schalt over de brug, naar het skatepark aan de Marnixstraat. ‘Zes jaar oud was ik. En kijk wat ik nu geworden ben!’

Westerstraat, Noordermarkt, de cirkel is rond. Op het bruggetje naar de Korte Prinsengracht vertelt Tommie me over zijn nieuwe cv, de maatschappelijk werker die hem helpt. In het Koffiehuis haalt Jelle zijn oude camera nog eens tevoorschijn, het doet Mourad weer aan vroeger denken: ‘Ik was jong. We woonden in een kleine stad in Algerije. Mijn vader was de enige fotograaf, en zijn zaak liep goed. Voor speciale materialen moesten we soms helemaal naar Algiers, een reis van 100, 200 kilometer – en daar gingen we dan te voet verder, van de ene naar de andere fotograaf, op zoek naar alle materialen die hij nodig had. “Ik ben moe,” zei ik hem – “Lopen!” riep hij me terug.’

Mourad lacht erbij. ‘Mijn vader was een soort vriend van me. Maar ik maakte het hem niet makkelijk, zo vaak dat ik wegliep van huis. Op een dag – wat was ik? Misschien tien jaar oud. Ik pakte gewoon de bus. Niemand mij gezien? Pssssst – en ik zat in een andere stad. Vaak ook nam ik mijn oudere broer mee op pad. “Kom op, we gaan naar de rivier, we gaan vissen,” zei ik op een dag tegen hem. Toen we terugkwamen, rook m’n vader natuurlijk meteen waar we geweest waren. “Kijk wat ik heb gevangen!” zei ik hem blij. En wat doet hij? Hij pakt die vis uit m’n hand en slaat hem zó op m’n gezicht!’

‘Ik ben nooit meer teruggeweest naar Algerije. Dit is een one way ticket, dat wist ik al toen ik naar Amsterdam ging, 34 jaar geleden. Ik ben ook zoveel kwijtgeraakt, weet je wel? Familie, vrienden… Maar ik heb ook mooie tijden gehad, ook al had ik geen papieren. Vriendinnetjes – meestal maar een maand of twee, drie,’ lacht hij. ‘Ik heb mezelf altijd al meer gezien als een reiziger, als wereldburger. Al dat zitten ook… Ik houd juist van die…’ – ‘Beweging.’ Ik maak zijn woorden nog eens af, terwijl hij de prikkers alweer verzamelt en de mannen buiten optrommelt voor de volgende ronde.

Het Koffiehuis heeft nooit genoeg pakken koffie, en drinkt er graag suiker en melkpoeder in. Wasmiddel en theedoeken zijn ook altijd welkom. (Maandelijkse) financiële giften ontvangt men al net zo graag; op rekeningnummer NL09 ABNA 0254 3388 60.